daily pastebin goal
5%
SHARE
TWEET

Untitled

a guest Dec 16th, 2018 79 Never
Not a member of Pastebin yet? Sign Up, it unlocks many cool features!
  1. Tablet XI
  2. Gilgameš sprak tot hem…
  3. Gilgameš sprak tot hem, tot Ut-napištim, de Verre:
  4.     ‘Zoals ik jou bekijk, Ut-napištim,
  5.     Zijn jouw trekken helemaal niet vreemd; jij bent net als ik.
  6.     Jij bent helemaal niet anders; jij bent net als ik.
  7. Toch is jouw hart bedaard, en zonder strijdlust;
  8.     Jij hebt je neergelegd, jouw vechtarm rust nu.
  9.     [Vertel mij], hoe nam jij zitting in de Raad der Goden?
  10.     Hoe verwierf jij het eeuwige leven?’
  11. Ut-napištim sprak tot hem, tot Gilgameš:
  12.     ‘O Gilgameš, ik zal voor jou een groot geheim ontsluieren;
  13.     Een goddelijk mysterie zal ik jou vertellen.
  14. Šuruppak, een stad die jij goed kent,
  15.     Ligt aan de oever van de Eufraat.
  16.     De stad was reeds oud – eens woonden de Goden daarin –
  17.     Toen de Goden besloten de Vloed te sturen.
  18. Hun vader Anum zwoer de eed
  19.     En ook hun raadsheer, de held Ellil,
  20.     Hun kamenier Ninurta,
  21.     En hun schout Ennugi.
  22. Ook prins Ea zwoer met hen,
  23.     Maar hij herhaalde hun woorden tegen een riethek:
  24.     Riethek, riethek! Tichelmuur, tichelmuur!
  25.     Luister, riethek! Let op, tichelmuur!
  26. Man van Šuruppak, zoon van Ubar-Tutu,
  27.     Haal neer je huis! Bouw een boot!
  28.     Laat achter je bezit! Zoek het (ware) leven!
  29.     Veracht rijkdom! (Over)leef!
  30.     Laad in je boot het zaad van alles wat leeft!
  31. De boot die je bouwt
  32.     Moet gelijke afmetingen hebben:
  33.     Zijn lengte en breedte moeten hetzelfde zijn.
  34.     Dek hem volledig af, zoals de Apsû.”
  35. Ik begreep dat, en sprak tot Ea, mijn meester:
  36.     “Het bevel dat jij gaf, mijn meester, gehoorzaam ik.
  37.     Ik begrijp (jouw bevel) en zal het uitvoeren.
  38.     Maar wat moet ik zeggen aan de stad, het volk en de oudsten?”
  39. Ea opende de mond, nam het woord
  40.     En sprak tot mij, zijn dienaar:
  41.     “Welnu, dit moet je zeggen:
  42.     Het is wel zeker dat Ellil mij haat!
  43. Ik mag niet langer in jullie stad wonen;
  44.     Ik mag Ellils gebied niet langer betreden;
  45.     Ik moet afdalen naar de Apsû, om bij Ea, mijn meester, te gaan vertoeven.
  46.     Maar voor jullie zal hij een zware regen van rijkdom schenken!
  47. [Hele zwermen] van vogels, scholen van vissen,
  48. [……] een overvloedige oogst!
  49.     [In de ochtend] stuurt hij jullie een regen van gebak,
  50.     [En in de avond] een stortbui van graan!”
  51. [Bij het eerste] ochtendgloren
  52.     [……] begon het volk zich te verzamelen
  53.     [De timmerman] bracht zijn bijl;
  54.     [De rietvlechter] bracht zijn [steen];
  55.  
  56. Twee beschadigde verzen.
  57.  
  58. Een kleine jongen [……] bracht de pek aan;
  59.     De arme [……] droeg de werktuigen.
  60. Op de vijfde dag had ik de romp van het schip gelegd:
  61.     De oppervlakte was zesendertig aren, de hoogte van de zijden tien roeden,
  62.     En de zijden van het dak waren elk ook tien roeden hoog.
  63.     Toen ontwierp ik de structuur, en zette die als volgt op:
  64. Ik bracht zes dekken aan
  65.     En het verdeelde het [schip] zo in zeven.
  66.     Het ruim verdeelde ik in negen delen,
  67.     In het mdiden sloeg ik de pluggen vast.
  68.     Ook voorzag ik het schip van vaarbomen en tuigage.
  69. Achttienduizend liter pek goot ik in de oven,
  70.     En achttienduizend liter teer [……] daar in.
  71.     Dragers brachten achttienduizend liter olie aan:
  72.     Naast de zesduizend liter voor de wijding
  73.     Stouwde de bootsman twaalfduizend liter olie weg.
  74. Voor de timmerlui slachtte ik ossen
  75.     En keelde ik lammeren, elke dag.
  76.     Bier, witbier, olie en wijn
  77.     [Dronken] de arbeiders als rivierwater!
  78.     Zij vierden feest als op Nieuwjaarsdag!
  79. Bij zonsop[gang] begon ik aan het kalfateren,
  80.     [En vóór] zonsondergang was het schip klaar.
  81.     [De tewaterlating] was zeer moeilijk:
  82.     Voortdurend moest men de rollers van voor naar achter brengen,
  83.     [Tot] twee derde [van het schip in het water] lag.
  84. [Alles wat ik bezat] laadde ik in;
  85.     Al het zilver dat ik bezat laadde ik in;
  86.     Al het goud dat ik bezat laadde ik in;
  87.     Alle levende have die ik bezat laadde ik in.
  88.     Ik deed inschepen mijn familie en verwanten,
  89.     De dieren van het veld, de dieren uit de steppe,
  90. En ambachtslui van elke stiel.
  91. Het tijdstip dat de Zonnegod (aldus) had vastgesteld:
  92.     “In de ochtend: een regen van gebak,
  93. In de avond: een stortbui van graan;
  94. Nu he p b en en t het !” –
  95. Dat ogenblik brak nu aan:
  96. “In de ochtend: een regen van gebak,
  97. In de avond: een stortbui van graan!”
  98. Ik keek hoe het weer eruitzag.
  99. Het weer zag er zeer dreigend uit!
  100.     Ik ging het schip binnen en sloot het luik.
  101.     Aan de man die het schip afsloot, de bootsman PuzurAmurri,
  102.     Gaf ik mijn paleis met al zijn goederen.
  103. Bij het eerste ochtendgloren
  104.     Kwam aan de kim een zware, zwarte wolk opzetten;
  105.     Daarbinnen bulderde de Stormgod Adad.
  106.     De Goden Šullat en Haniš gingen hem vooraf,
  107.     En droegen zijn troon over bergen en dalen.
  108. De God Errakal rukte de meerpalen uit;
  109.     Ninurta raasde voorbij en deed de stuwen overstromen;
  110.     De Anunaki droegen vlammende toortsen
  111.     En verschroeiden het Land met hun flakkering.
  112. De stilte van de Stormgod spreidde zich toen over de hemel,
  113.     En alle licht werd duisternis.
  114.     [Hij] vertrapte het Land als [een dolle] stier,
  115.     En brak het in stukken [als een aarden vaas].
  116. Een hele dag lang [loeide] de orkaan,
  117.     Waaiend met grote snelheid – en toen kwam de [Vloed]!
  118.     Als het strijdgewoel overweldigde [de Vloed] de mensen.
  119.     De een kon de ander niet meer zien;
  120.     In deze verwoesting kon men geen mensen meer onderscheiden.
  121. Zelfs de Goden werden bang voor de Vloed;
  122. Zij vluchtte en stegen op naar de hemel van Anum;
  123.     Ineengekrompen als honden lagen zij tegen de buitenmuur.
  124.     De Godin stiet een kreet uit als een barende vrouw;
  125.     Bēlet-ilī, zij van de zoete stem, schreeuwde het uit:
  126. “De tijden zijn tot klei weergekeerd
  127.     Omdat ik het kwade uitsprak in de Godenraad!
  128.     Hoe kon ik toch het kwade spreken in de Godenraad
  129.     En zo de massamoord van mijn eigen mensen ontketenen?
  130.     Ik baarde hen; dit zijn mijn eigen mensen
  131.     Die nu de zee vullen als vissen!”
  132. De Anunaki-Goden weenden  met haar;
  133.     Alle Goden gingen gebukt, en zaten wenend neer [……],
  134.     Hun lippen verdroogd en koortsig.
  135.     Zes dagen en [zeven] nachten
  136.     Ging de wind tekeer;
  137.     de Stormvloed verpletterde het Land.
  138. Maar toen de zevende dag aanbrak,
  139.     Staakte de Stormvloed zijn aanval.
  140.     Zij die om zich heen gewoeld had als een barende vrouw,
  141.     De zee, werd kalm; de storm verstilde; de Vloed hield op.
  142. Ik keek naar het zwerk: er heerste stilte,
  143.     Maar de mensheid was tot klei weergekeerd.
  144.     De vochtige vlakte was effen als een dak.
  145.     Ik opende het luik en een zonnestraal trof mijn wang.
  146. Ik knielde neer en weende;
  147.     Over mijn wangen rolden de tranen.
  148.     Ik keek uit naar de einder, naar de grens van de zee,
  149.     En op nauwelijks een halve mijl verhief zich een landtong.
  150. De boot was gestrand op de berg Nimuš.
  151.     De berg Nimuš hield de boot vast, liet hem niet bewegen.
  152.     Eén dag, en een tweede hield de berg Nimuš de boot vast, onbeweeglijk;
  153.     Een derde dag, en een vierde hield de berg Nimuš de voot vast, onbeweeglijk;
  154.     Een vijfde dag, en een zesde hield de berg Nimuš de boot vast, onbeweeglijk.
  155. Maar toen de zevende dag aanbrak,
  156.     Haalde ik een duif tevoorschijn, en liet haar los.
  157.     De duif vloog weg, maar keerde terug:
  158.     Er was geen plaats om te landen, dus keerde ze weer naar mij.
  159. Ik haalde een zwaluw tevoorschijn, en liet hem los.
  160.     De zwaluw vloog weg, maar keerde terug:
  161.     Er was geen plaats om te landen, dus keerde hij weer naar mij.
  162. Ik haalde een raaf tevoorschijn, en liet hem los.
  163.     De raaf vloog weg, en die zag hoe het water teruggetrokken was;
  164.     Hij at, stapte heen en weer, poepte en kwam niet meer terug.
  165. Ik bracht toen een offer: ik plengde (water) aan de vier windstreken,
  166.     Plaatste wierook boven op de top van de berg,
  167.     Zette zeven en nog eens zeven kruiken op
  168.     In wiens bodem ik (olie van) riet, ceder en mirte uitgoot.
  169. De Goden snoven de geuren op;
  170.     De goden snoven de zoete geuren op
  171.     En zwermden als vliegen rond de offeraar!
  172. Eerst kwam Bēlet-ilī aan;
  173.     Zij hief de grote vliegen op, die Anum voor haar gemaakt had bij hun verloving:
  174.     “O Goden, zoals ik deze grote lazuurstenen van mijn halsketting nooit zal vergeten,
  175.     Moge ik de herinnering aan deze dag nooit vergeten!
  176. Laat alle grote Goden naar dit offerfeest komen,
  177.     Maar laat niet toe dat Ellil naar dit offerfeest komt,
  178.     Want hij heeft onbezonnen de Vloed veroorzaakt,
  179.     En mijn mensen tot vernietiging verdoemd!”
  180. Toen kwam Ellil aan;
  181.     Hij zag de boot en werd woedend.
  182.     Boos zei hij tot de Igigi-Goden:
  183.     “Hoezo? Is dan toch iemand in leven gebleven?
  184.     Niemand mocht de vernietiging ontgaan!”
  185. Ninurta opende de mond, nam het woord
  186.     En sprak tot Ellil:
  187.     “Wie behalve Ea zou zoiets kunnen doen?
  188.     Alleen Ea kent dergelijke listen!”
  189. Ea opende de mond, nam het woord, en sprak tot Ellil:
  190.     “Jij, o wijste onder de Goden, o held,
  191.     Hoe kon jij toch onbezonnen de Vloed zenden?
  192.     Straf slechts de misdadiger voor zijn misdaad!
  193.     Straf slechts de boosdoener voor zijn zonde!
  194. Vier (het touw), opdat het niet breekt! Trek het aan, opdat het niet [slap wordt]!
  195.     In plaats van de Vloed te zenden
  196.     Had evengoed een leeuw kunnen opstaan om de mensheid uit te dunnen!
  197.     In plaats van de Vloed te zenden
  198.     Had evengoed een wolf kunnen opstaan om de mensheid uit te dunnen!
  199.     In plaats van de Vloed te zenden
  200.     Had evengoed een hongersnood kunnen opstaan komen om het land af te slachten!
  201.     In plaats van de Vloed te zenden
  202.     Had evengoed de Pestgod kunnen opstaan komen om het land af te slachten!
  203. Ik heb het geheim der Goden niet onthuld!
  204.     Ik toonde Atrâ-hasīs slechts een droombeeld, en zo leerde hij ons geheim.
  205.     Beslis nu maar wat we met hem moeten doen!”
  206. Ellil besteeg toen de boot,
  207.     Greep mijn handen en deed mij ook instijgen.
  208.     Hij deed mijn vrouw instijgen en naast mij neerknielen.
  209.     Hij raakte onze hoofden aan, kwam tussen ons staan, en zegende ons:
  210. “Tot nu toe was Ut-napištim sterfelijk,
  211.     Maar nu zullen hij en zijn vrouw worden als wij Goden.
  212. Ut-napištim zal echter ver weg wonen, aan de monding der rivieren!”
  213.     Zij namen mij mee en deden mij ver weg wonen, aan de monding der rivieren.
  214. Maar nu jij: wie zou de Godenraad voor jou samenroepen
  215.     Zodat ook jij het eeuwig leven dat jij zoekt zult vinden?
  216.     Probeer eerst maar zes dagen en zeven nachten te waken!’
  217. Nauwelijks had Gilgameš zich neergezet, (het hoofd) op de knieën
  218.     Of de slaap overspoelde hem als een nevel!’
  219. Zijn vrouw sprak tot hem, tot Ut-napištim, de Verre:
  220.     ‘Stoot hem aan, zodat hij wakker wordt.
  221.     Laat hem dan veilig de weg die hij aflegde teruggaan;
  222.     Laat hem terugkeren naar zijn Land langs de ingang die hij vond!’
  223. Ut-napištim sprak tot zijn vrouw:
  224.     ‘De mens is vol bedrog; ook deze zal trachten jou te bedriegen.
  225.     Welnu, bak voor hem zijn dagelijkse broden, stapelde die op bij zijn hoofd,
  226.     En tekende op de muur aan hoeveel dagen hij sliep.
  227.     Zijn eerste brood was volledig verdroogd;
  228.     Het tweede was taai; het derde klam;
  229.     Het vierde had witte schimmel;
  230.     Het vijfde begon te verkleuren; het zesde was vers gebakken,
  231.     En het zevende lag nog in de hete as.
  232.     Toen stootte hij hem aan, en de man werd wakker.
  233. Gilgameš sprak tot Ut-napištim, de Verre:
  234.     ‘De slaap is nog maar net over mij gekomen,
  235.     En jij geeft mij dadelijk een duw zodat ik wakker word!’
  236. Ut-napištim [sprak tot hem], tot Gilgameš:
  237.     ‘Ach Gilgameš, tel dan maar jouw dagelijks broden,
  238.     Dan zul je weten [hoeveel dagen jij sliep:]
  239.     Jouw [eerste] brood [is volledig verdroogd];
  240.     Het tweede is taai; het derde klam;
RAW Paste Data
We use cookies for various purposes including analytics. By continuing to use Pastebin, you agree to our use of cookies as described in the Cookies Policy. OK, I Understand
 
Top